De kruising van poëzie en kunstmatige intelligentie lijkt paradoxaal: de ene diep menselijk, de andere schijnbaar mechanisch. Toch beweert dichter Sasha Stiles dat ze dezelfde fundamentele drijfveer vertegenwoordigen: de opslag en overdracht van vitale informatie. Ze beschouwt poëzie als een ‘oude technologie’ van metrum en rijm en omarmt AI niet als vervanging, maar als de natuurlijke evolutie ervan.
De wortels van een idee
Stiles’ verkenning van AI begon niet met coderen, maar met een levenslange onderdompeling in wetenschap en literatuur. Opgegroeid door documentairemakers die samenwerkten met Carl Sagan, groeide ze op omringd door wetenschappelijk onderzoek. Deze achtergrond vormde haar perspectief toen het internet opkwam en erkende de diepgaande invloed ervan op het denken en de expressie. In 2019 ging ze verder dan het observeren van AI en ging ze er actief mee samenwerken, in een poging het creatieve potentieel van taalmodellen te begrijpen.
Vroege experimenten en onverwachte resultaten
Haar eerste experimenten bestonden uit het invoeren van haar eigen poëzie in GPT-2, een voorloper van moderne AI-chatbots. Het doel was niet om gepolijst werk te creëren, maar om de ruwe, onvoorspelbare resultaten van het model te verkennen. Herhalende regels als “Ben je klaar voor de toekomst?” onthulde een spectrum aan resultaten: van mooie en sublieme verzen tot schokkend vrouwonvriendelijke of expliciete inhoud. Dit demonstreerde het ongefilterde, vaak verontrustende potentieel van vroege AI-taalgeneratie.
Van generieke modellen tot gepersonaliseerde systemen
Stiles zette vervolgens de volgende stap: het verfijnen van GPT-2 op 200 pagina’s met haar eigen poëzie. Hierdoor ontstond een systeem dat nauw vertrouwd was met haar stijl, lokale en thematische zorgen. Het resultaat was een hulpmiddel dat haar creatieve proces kon uitbreiden en verzen kon genereren die zowel nieuw als zeer persoonlijk aanvoelden.
Een levend gedicht in het MoMA
Dit experiment culmineerde in ‘A Living Poem’, een realtime, evoluerend kunstwerk dat nu wordt tentoongesteld in het Museum of Modern Art (MoMA). Het stuk is geen statische compositie, maar een dynamische omgeving waar code, datasets en menselijke invloed samenkomen. Stiles beschrijft het als een ruimte waar taal ‘aan zichzelf kan denken’ en verzen, beelden en stemmen in een eindeloze lus kan genereren.
Poëzie als technologie
Stiles beschouwt poëzie zelf als een fundamentele technologie. Voordat er alfabetten bestonden, ontwikkelden mensen metrum, ritme en rijm om cruciale informatie over generaties heen te onthouden en over te dragen. Dit eeuwenoude systeem van gegevensopslag, zo betoogt zij, deelt een fundamentele impuls met moderne AI: het vermogen om kennis te coderen, te behouden en te verspreiden.
De toekomst van samenwerking
Dit perspectief herformuleert AI niet als een bedreiging voor de menselijke creativiteit, maar als een voortzetting van een al lang bestaande traditie. Net zoals poëzie millennia lang bewustzijn en zelfbewustzijn mogelijk maakte, kan AI nieuwe denkgebieden ontsluiten. Door de gedeelde oorsprong van deze hulpmiddelen te erkennen, kunnen we hun potentieel benutten om ons begrip van zowel onszelf als de wereld om ons heen te vergroten.
“Poëzie is een van onze oudste en meest duurzame technologieën – een zeer primair systeem voor gegevensopslag.”
De samenwerking tussen dichter en AI, zoals belichaamd in het werk van Stiles, signaleert een verschuiving in de manier waarop we creativiteit en technologie begrijpen. Het suggereert dat de toekomst van expressie niet in scheiding ligt, maar in een symbiotische relatie tussen menselijke intuïtie en machine-intelligentie.

















