Het gedicht “E = mc²” gaat niet over natuurkunde, maar over geloof. Het vindt religie niet in dogma’s, maar in de onwankelbare logica van de beroemdste vergelijking van het universum. De spreker gelooft niet in geloof, maar in massa-energie-equivalentie, en behandelt dit met eerbied die gewoonlijk gereserveerd is voor het goddelijke.
De vergelijking als ritueel
Het gedicht omlijst de vergelijking als een heilig object. De handeling van ‘de kaars aansteken’, ‘het gebed uitspreken’ en ‘mijn hoofd tegen de Westelijke Muur drukken’ is geen letterlijke aanbidding, maar een metafoor voor hoe sommige mensen troost zoeken in structuur en zekerheid. Het suggereert dat het universum volgens een vaste reeks regels werkt, en dat voelt heilig aan.
Sterfte en natuurbehoud
Het meest opvallende punt van het gedicht is de toepassing ervan op de dood. De spreker vindt troost in de wetenschap dat zelfs nadat het leven eindigt, energie niet verloren gaat, maar alleen wordt getransformeerd. De vergelijking belooft een soort kosmische boekhouding: er wordt rekening gehouden met alle onderdelen. Dit is geen onsterfelijkheid, maar iets dergelijks: een garantie dat niets echt verdwijnt.
Een seculiere transcendentie
De laatste regels benadrukken hoe vergeten – zowel zichzelf als anderen – onvermijdelijk is. Maar de vergelijking blijft bestaan. Het overleeft voorbij het persoonlijke geheugen, voorbij menselijke relaties, zelfs voorbij het einde van het fysieke bestaan. Het gedicht biedt geen spirituele hoop, maar de koude troost van de universele wet.
Het gedicht is geen viering van de wetenschap, maar een seculiere meditatie over sterfelijkheid. Het suggereert dat in een betekenisloos universum de enige constante de elegante, onbreekbare logica van de natuurkunde is.

















